De twijfels over zelfwaardering, over eigenwaarde, zelfacceptatie, over ‘doe ik het wel goed’ over ‘ben ik wel goed genoeg’. Zijn vaak hoorbaar in mijn praktijk. Vaak vraag ik mij af of deze allemaal een zelfde oorsprong hebben. Wat speelt er toch bij iemand die al deze gevoelens over zich-Zelf ontwikkeld heeft? Misschien moeten we het juist zoeken in wat iemand niet gekregen heeft?
Met andere woorden, dat zelfwaarde, eigenwaarde, zelfliefde, weliswaar het woord ‘zelf’ en ‘eigen’ dragen, maar misschien de uitkomst zijn van wat je kreeg van de ander. Je krijgt het voordat je het kan bezitten! Het lijkt in tegenstelling maar ook weer logisch.
Als iemand opvoeders had die niet in staat waren de behoeften van het kind te beantwoorden, dan wordt deze onbeantwoorde behoefte een boemerang die zegt: het ligt aan mij, ik ben het niet waard, ik moet het zelf doen. Geen bewuste teksten, maar een sluipend ondermijnend gif wat binnen sijpelt bij het kind.
Opvoeders die de behoeften van een kind kunnen ontraadselen en beantwoorden geven de boodschap: ik zie jou, ik voel jou, ik erken jou en herken jou. Pas daardoor herkent en erkent het kind zichzelf. Hier ontstaat een basis van wederkerigheid in uitwisseling en contact die fundamenteel zijn in een voedende communicatie in sociale relaties in het verdere leven. Ouders die hun eigen behoeften niet laten domineren over het kind, vormen hierin de basis. Het betekent ook dat opvoeders leeftijdsadequate eisen stellen aan het kind en deze niet belasten, bewust óf onbewust, met taken en rollen die niet bij hun opgroeifase passen.
Gebrek aan zelfwaardering, zo herkenbaar. Ondanks dat mijn vrienden en collega’s het tegendeel lieten merken, bleef ik hardnekkig het gevoel houden dat mensen contact met mij alleen fijn vonden als ik ook van nut voor hen was. Ik deed sommigen daardoor tekort en verdriet. Het gevoel dat ik mijzelf van nut moest maken om geliefd te zijn, ontstond in mijn kindertijd en heeft een stempel gedrukt op hoe ik mijzelf ervaarde. Wat een ander ook zei, dat gevoel bleef bestaan. Hoe komt het toch dat daar zo moeilijk verandering in kwam?
Ik denk omdat wij zijn toegerust met een feilloos overlevingssysteem, waarin ‘gevaar’ belangrijker is om te herkennen dan ‘geluk’. Dit systeem werkt op het signaleren van gevaar tot in alle uithoeken van ons bestaan. Zelfs het gevaar dat door eigen hersenspinsels ontstaat, door gedachten over onszelf die ondermijnend zijn en veroorzaakt door wat ver achter ons ligt, maar ooit ons gevoel van veilig en geborgen zijn bedreigde.
Zolang dit ‘gevaar’ niet echt verdwijnt uit ons systeem hebben geluk en zelfliefde geen plek in ons brein. Oefeningen voor zelfwaardering blijven vaak inspanning vragen.
Pas toen ik in mijn eigen IEMT-proces met mijn geschonden identiteitsdelen ging werken, voelde ik een verschuiving waar ik geen moeite voor hoefde te doen. Deze delen leerden elkaar te herkennen en te erkennen, elkaar te helen. Die interne wisselwerking gaf een wezenlijke en blijvende opening naar zelfliefde, eigenwaarde, zelfwaardering.
In mijn praktijk werk ik veel met iemands identiteitsdelen, wat vaak een prachtige opening is naar allerlei vormen van zelf ondermijnende problematieken.